Millennials waren de eerste generatie die de kans kreeg om een breder begrip te ontwikkelen van systemisch trauma en intieme machtsdynamiek, deels dankzij digitale hulpmiddelen die de manier hebben verrijkt waarop we onze verhalen delen en een gevoel van bredere gemeenschap opbouwen als een nieuwe, gekozen, uitgebreide familie.
Dit is een concept dat diep resoneert met het verhaal van Aster: totaal verschillende verhalen en relaties zijn met elkaar verbonden door een tot het uiterste uitgerekte rode draad, in constante spanning, een onzichtbare maar scherpe lijn tussen de personages.
En het is juist de onmogelijkheid om die draden door te snijden, om de band te vernietigen, symbolisch of anderszins, die het ondraaglijke voortbrengt. De echte gruwel hier is de betekenis van ‘familie’, zoals ons is geleerd.
In elk van Asters films lijkt er sprake te zijn van een vorm van catharsis vanuit een staat van pijn en eenzaamheid, die soms een anker vindt in een bijenkorfgezinde gemeenschap, en andere keren bezwijkt voor de afgrond.
Terugkerende symbolen vormen de rode draad in de eerste drie films, die elk passen in een groter generatieverhaal met hun eigen specifieke vorm en functie.
Het huis het wordt een podium, een container van ritueel en catharsis, de afmetingen ervan weerspiegelen de relaties die erin verweven zijn en de intieme ruimte van degenen die het bewonen.
Diorama’s, boomhutten, kamers van dood en trauma, van knuffels en misbruik, deze huizen zijn ruimtes die zowel sociale als intieme interferenties bevatten.



